Er wordt in de buurt gegraven. Want er moet glasvezelkabel komen. De werkmannen in de oranje hesjes, die het netwerk uitrollen, zijn voor een eenzame schrijver als ik een dankbaar object om tegenaan te lullen. Heel de week doen we bijna elke dag een praatje pot.
Vanmorgen had ik er een paar tuk.
Terwijl ik met de mannen over pijntjes in onze ruggen kletste (zij van het graven, ik van het zitten), greep ik de werkman die een sjekkie stond te rollen pardoes bij zijn schouder en wees hem op de oranje glasvezelkabel in de opgebroken straat. “Krijg nou wat”, riep ik ,“volgens mij ligt-ie verkeerd om!”
De hesjesmannen keken me verbaasd aan. “Hoe bedoelt u”, vroeg er een. “Nou, zoals ik het zeg. Weet je niet wat er in Voorburg is gebeurd? Daar lag-ie ook verkeerd om. Ze kwamen er pas achter toen het werk klaar was. In heel Voorburg moesten de straten opnieuw open.”
De werkmannen wilden gaan uitleggen waarom de kabel niet verkeerd om kan liggen. Maar hiervoor gaf ik hen geen kans. “Ik zou je baas maar even bellen, voordat je in je zomervakantie hier weer staat te scheppen,” zei ik plagend. Ik sloeg een van de hesjes amicaal op z’n schouder en beende langzaam weg richting bakker.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat er paniek was in de groep. De mannen lachten schaapachtig en overlegden driftig. Eentje pakte z’n telefoon uit zijn binnenzak. De chef bellen! Voor de zekerheid.
Op de terugweg groetten de werkmannen me lauwtjes. “En”, vroeg ik, “wat zei de baas?” “Mijn baas kende hem al”, zei de sjekkiesroller. “Hij leest ook de boeken van Herman Brusselmans, net als u. Die Belgische schrijver heeft deze grap al eens uitgehaald in Gent, is het niet?” Ik bekende mijn plagiaat en lulde nog wat over dat Herman dat dan weer van mij had. Maar daar trapten de oranje mannen natuurlijk mooi niet in.

















